Home Contact

Road book

1 Charles Emile François Van der Cruyssen

2 De slag aan de Edemolen

3 Het vliegveld van Gontrode

4 De Franse Marinefuseliers in Melle

5 De elektriciteitscentrale van Langerbrugge

6 "Den Draad"

7 De Hollandstellung

8 De zwarte duivels

9 Monument Gidsen

10 De slag van Burkel

11 Munitiedepot Maldegem

12 Station van Maldgem

13 Gevechten bij de hoeve Malecote in Adegem

14 De Kruisweg in Adegem

15 Veldhospitaal Prinsenveld

16 Klein België

17 Stoomzagerij Sylva Kaprijke

1 Charles Emile François Van der Cruyssen

Geboren te Gent op 11 juli 1874.
Overleden te Florenville op 30 april 1955.

De Gentenaar Charles Van der Cruyssen was voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een succesvol ondernemer.
Op 8 augustus 1914 biedt hij zich aan te Antwerpen als oorlogsvrijwilliger op de leeftijd van 40 jaar.
Hij wordt ingedeeld bij de Genie en wordt gelegerd in de fortengordel van Antwerpen.
Na de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 vlucht hij via Nederland, Engeland naar Frankrijk en kan zich terug aansluiten bij het Belgisch leger achter de Ijzer op 8 december 1914. Gedurende vier jaar neemt hij deel aan vele acties.
Hij geeft zich verschillende malen op als vrijwilliger voor gevaarlijke opdrachten in de eerste linies.
Hij wordt verschillende malen vermeld in de dagorders van het Belgisch leger voor zijn moed en uitmuntend leiderschap.
Hij krijgt een speciale vermelding voor zijn operationele inzet van het Franse leger als liaison officier.
Tijdens het eindoffensief vanaf 28 september 1918 neemt hij deel aan de belangrijkste aanvallen.
Op 21 oktober 1918 neemt hij deel aan de aanval op het Schipdonkkanaal in Zomergem.
Tijdens een verkenning rond de kerk van Zomergem wordt onder vuur genomen en wordt zwaargewond door de Duitsers afgevoerd naar Antwerpen. Hij kan ontsnappen en vindt onderdak bij een vriend.
Hij zal nooit volledig herstellen van zijn verwondingen.
Hij is één van de meest gedoceerde Belgische oorlogshelden uit WOI.
In 1919 vertrekt hij met de trein naar Frankrijk, hij wil zijn leven een nieuwe wending geven als geestelijke.
Hij treedt binnen in de Abdij Notre-Dame de la Grande Trappe te Soligny-la-Trappe in Normandië. Hij kiest als kloosternaam Marie-Albert.
In de zomer van 1926 wordt Dom Marie-Albert, samen met enkele andere monniken, belast met de heropbouw van de abdij van Orval die op dat ogenblijk een ruïne is.
Het geld voor de bouw kreeg hij samen door verschillende inzamelingsacties in gans België, door speciale postzegels met toeslag te verkopen en door in 1931 een brouwerij en in 1932 een kaasmakerij op te starten.
Dom Marie-Albert werd op 29 februari 1936 tot 53ste abt van de nieuwe abdij Orval ingehuldigd.
Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog is hij zeer actief in het verzet.

Hij sterft op 30 april 1955 na een ongelooflijk actief leven.

Terug naar begin van pagina

2 De slag aan de Edemolen

Op 4 augustus 1914 valt het Duitse leger België binnen.

De snelle opmars via Brussel naar Parijs mislukt.
Het Duits opperbevel wordt verplicht Antwerpen en de rest van België ten Westen van Brussel in te nemen in een race tegen de Geallieerden naar de Noordzee. Zowel de Duitsers als de Belgen sturen verkenningstroepen uit ten Westen van Brussel.
Het is dan dat de Slag aan de Edemolen zich afspeelde op het grondgebied van de gemeente Nazarteh.

6 oktober 1914 Een Duits detachement van het vierde Duitse cavaleriekorps kreeg de opdracht de lijn Deinze- Tielt- Torhout te verkennen en de spoorwegen
vanuit Gent te vernietigen. Rond Nazareth bevond zich op dat ogenblik een groep van de Luikse  Burgerwacht ( 54 man te paard en drie auto’s )
Verder was er een peloton cyclisten van de rijkswacht , onder leiding van Kapitein Fremault, gestationeerd in Zwijnaarde.
Een gepantserde auto met machinegeweer vergezelde dit peloton.

7 oktober 1914

Na een aantal korte gevechten tussen de Belgen en de Duitse voorhoede besluit Kapitein Fremault met zijn rijkswachters en vrijwilligers versterkt door de Brigade Gavere (twee gendarmen en tien vrijwilligers) het kruispunt van de wegen Gent-Oudenaarde en Kruishoutem-Nederzwalm te bezetten en vandaar uit de Duitsers onder vuur te nemen.
De groep van ongeveer 40 man verschanste zich in enkele gebouwen in het gehucht Edemolen en samen met de automitrailleur slaagde men erin de Duitse voorhoede tot staan te brengen. Omstreeks 12.20 uur bemerkte Fremault dat de vijand hem links en rechts overvleugelde en de weg naar Gavere afsneed. Hij stuurde een estafette per fiets naar Nazareth om hulp in te roepen.
De Duitsers gingen over tot een stormloop, maar worden met zware verliezen teruggeslagen. Ze slaagden er wel in om de hoeven in brand te steken.
De rijkswachters en vrijwilligers dienden hun schuilplaatsen onder het vuur van de vijand te verlaten en zich te hergroeperen op en rond de berm van de molen, langs de Oudenaardsesteenweg.
Slechts een tiental onder hen bereikte de berm en kon er stand houden tot wanneer een tegenaanval van de burgerwacht vanuit Nazareth hen kon ontzetten, hierbij geholpen door 300 Franse infanteristen die ’s morgens in Deinze aangekomen waren en in ijltempo naar Nazareth waren opgemarcheerd.

Tegen 15u is de slag om Edemolen afgelopen. Er zijn 12 slachtoffers aan Belgische zijde waaronder Kapitein Fremault.

Monument voor de twaalf Belgische gesneuvelden
(zeven rijkswachters en vijf vrijwilligers)

Terug naar begin van pagina

3 Het vliegveld van Gontrode

Tijdens de Eerste Wereldoorlog zetten de Duitsers zeppelins in om bombardementen uit te voeren op Groot-Bretagne.
In het najaar van 1914 starten de Duitsers met de bouw van een reusachtige Zeppelinhal en de inrichting van een Duitse vlieghaven op de kouter tussen Gontrode en Lemberge.
De hal was 180 meter lang, 50 meter breed en 25 meter hoog.
Deze oppervlakte is groter dan het grondoppervlak van de Sint-Baafskathedraal van Gent. De hangar biedt plaats aan één zeppelin.
In het voorjaar van 1915 is de luchthaven gebruiksklaar. De spoorlijn Gent-Geraardsbergen wordt doorgetrokken tot aan de vlieghaven voor de aanvoer van gas, munitie, bommen, benzine en olie.

De vlieghaven van Gontrode is de thuisbasis van twee zeppelins, de LZ33 en de LZ35.
Vanaf de lente van 1917 wordt het vliegveld uitgebreid met vliegtuighangars, barakken, luchtafweergeschut, munitiebunkers, verharde landingsbanen en een windroos.
Duitse piloten voeren van de vliegvelden van Gontrode en Sint-Denijs-Westrem missies uit met Gotha IV- en de Staaken bommenwerpers.

In 1917 wordt de vlieghaven voor Zeppelins een vliegveld voor vliegtuigen. 
De Duitsers blazen na afloop van de oorlog de hal op.
Ze wordt in 1919 afgebroken wat meteen het einde van het vliegveld betekent.

Terug naar begin van pagina

4 De Franse Marinefuseliers in Melle

Nadat België Duitsland de vrije doortocht naar Frankrijk heeft ontzegd, valt het Duitse leger ons land op 4 augustus 1914 binnen.
Het Belgisch leger is niet in staat om de vijand het hoofd te bieden en trekt zich terug.

Tijdens deze terugtocht komen de Fransen en Britten de Belgen ter hulp met enerzijds de Franse Marinefuseliers van Admiraal Ronarc’h en anderzijds de British 7th Division onder bevel van major general Thompson Capper.
Admiraal Ronarc’h van de Franse Marine is bevelhebber van de ” Brigade Marine Fuseliers” met een totaal van 6585 man.
Om de Belgen ter hulp te komen vertrekt hij met zijn troepen naar Antwerpen.
In de namiddag van 8 oktober komen zij in Gent aan waar Admiraal Ronarc’h te horen krijgt dat hij niet meer naar Antwerpen kan omdat de stad gevallen is. Hij krijgt dan de opdracht om de flank van het terugtrekkende Belgische leger te verdedigen.

De Franse Marinefuseliers worden bijgevolg naar Melle gestuurd waar de Belgische troepen van de 4de gemengde brigade loopgraven aan de Schelde hebben klaargemaakt. Daar komt het op 9 oktober tot een eerste treffen met de vijand en sneuvelen de eerste Franse Marinefuseliers in de omgeving van Melle. Ook tijdens de nacht van 9 op 10 gaan de gevechten door.
Op 11 oktober moeten de Marinefuseliers wijken voor de Duitse overmacht (6.000 tegen 45.000 Duitsers).
Alle geallieerde troepen moeten zich terug trekken.
De Franse Marinefuseliers trekken zich samen met de Belgen terug achter de Ijzer in de streek van Diksmuide.
Eén bataljon Marinefuseliers zal in België blijven tot juni 1917 en zal o.a. deel nemen aan de gevechten rond Nieuwpoort.

Op het kerkhof te Melle liggen 9 Marinefuseliers begraven.
Sommigen waren gekwetst en werden afgevoerd naar Gent.
Op de Westerbegraafplaats Iin Gent iggen dan ook nog 2 Marinefuseliers die aan hun verwondingen te Gent zijn overleden.

Terug naar begin van pagina

5 De elektriciteitscentrale van Langerbrugge

De elektriciteitscentrale is gelegen langsheen de Langerbruggekaai, tussen het kanaal van Gent-Terneuzen en de spoorweg van Gent naar Zelzate.

In 1911 werd de N.V. 'Centrales Electriques des Flandres' opgericht, die in 1913 de elektriciteitscentrale van Langerbrugge liet bouwen ten behoeve van de groeiende industrie langsheen het Kanaal Gent-Terneuzen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd van hieruit de eerste stroom geleverd aan de “Dodendraad”, de onder stroom staande grensafbakening tussen België en het neutrale Nederland.
Tijdens het eindoffensief in november 1918 werden zware gevechten geleverd aan het Kanaal Gent- Terneuzen waar de Belgische en Duitse troepen elkaar beschoten over het kanaal.
De Duitsers hadden alle bruggen vernield tussen Meulestede en Zelzate. Zij hadden verschillende artilleriedivisies ten Oosten van Gent opgesteld.
Op 4 november 1918 werden de gebouwen en de installaties beschadigd door Duitse bombardementen. Het gebouw en de elektrische installaties werden onmiddellijk hersteld.

Elektriciteit was in volle opgang en vanaf 1925 tot en met 1993 werd er flink geïnvesteerd en gemoderniseerd.
Met de komst van de Tweede Wereldoorlog werd in 1939 een schuilkelder gebouwd ter bescherming van het personeel.
Het administratief gebouw en de machinezaal werden gebombardeerd in 1943.
De centrale van Langerbrugge leverde gedurende bijna 100 jaar elektriciteit aan de wijde omgeving van Gent.

In 2010 werd de centrale definitief stilgelegd,
In 2013 werd een groot deel van de site als beschermd verklaard.

Terug naar begin van pagina

6 "Den Draad"

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal.

Op de grens werd een elektrische draadversperring gebouwd om het smokkelen van mensen, oorlogsvrijwilligers, informatie en goederen een halt toeroepen. Hij werd dag en nacht bewaakt. In totaal kwamen meer dan duizend mensen om bij de elektrische draadversperring.

Vanaf het voorjaar van 1915 werd begonnen aan de bouw ervan.
Om praktische redenen werd de grens niet overal van nabij gevolgd. Dat had voor tal van grensbewoners soms nare gevolgen, zoals in Sint-Laureins en in Wachtebeke.

Ter hoogte van Sint-Laureins kwam een stukje Belgisch grondgebied na de verplaatsing van de elektrische versperring tussen de rijksgrens en den draad liggen. In de volksmond noemde men dit 'Klein België'.
In het gehucht Overslag werd het dorp in twee gesneden door de draad. Toen de Nederlanders ook een draad plaatsten op de grens, zaten 196 inwoners gevangen. 
Van de drie rijen draden stond enkel de middelste rij onder een spanning van 2.000 volt. 

De elektriciteit kwam in het begin van de elektriciteitscentrale van Langerbrugge maar nadien werden kleinere centrales van bedrijfjes langs de Zeeuws-Vlaamse grens, o.a. een onderstation in Zelzate, een fabriekje in Moerbeke, enz… gebruikt.
In de dodendraad waren poorten aangebracht. De poorten waren in de eerste plaats noodzakelijk om toegang te krijgen tot het “niemandsland” tussen de dodendraad en de rijksgrens met Nederland.
Daarnaast konden burgers in uitzonderlijke gevallen, mits een “Passierschein” van de plaatscommandant naar Nederland reizen.

Ondanks het schrikaanjagend en moordend karakter van dit nieuwe wapen, werd de grensversperring duizenden keren overschreden. De creativiteit van spionnen, passeurs, smokkelaars en vluchtelingen kende geen grenzen. Ze gebruikten passeurskaders, houten fietsvelgen, rubberen pakken, een polsstok, geïsoleerde hefboomkniptangen en tal van andere middelen. Ze groeven een greppel onder de versperring door of kochten gewoon de grenswachters om.

Terug naar begin van pagina

7 De Hollandstellung

Vanaf de lente van 1916 ontstond bij de Duitse legerleiding de vrees dat de geallieerden zouden aanvallen vanuit het neutrale Nederland.

De “Hollandstellung” is een Duitse verdedigingsstelling uit de Eerste Wereldoorlog, die langs de grens met Nederland, tussen Knokke en de overstromingsgebieden van Vrasene werd aangelegd. In Vrasene sloot de “Hollandstellung “aan op de “Stellung Antwerpen”, waarop op zijn beurt aan oostelijke zijde de” Turnhout-Kanalstellung” aansloot.

De “Hollandstellung” was ongeveer 65.5 kilometer lang.
Tussen het Zwin in Knokke en het overstromingsgebied in Vrasene (De Hollandstellung) werden in totaal 411 bunkers gebouwd, meestal langs het Schipdonkkanaal en het Leopoldkanaal.

De lijn van de bunkers werden aangevuld met een uitbouw van mitrailleursposten.

Er werden eveneens artilleriestellingen geplaatst in Adegem, Maldegem, Lapscheure en zuidelijk van het Leopoldkanaal. De Duitse Marine was verantwoordelijk voor de bouw ervan omdat deze zone gelegen was in het Marinegebied van bezet België.

Terug naar begin van pagina

8 De zwarte duivels

Het eerste en tweede bataljon karabiniers- wielrijders (bijgenaamd de Zwarte Duivels) behoren tot het Regiment karabiniers dat deel uitmaakt van de Belgische cavalerie divisie.
Zij verplaatsen zich op fietsen, zijn zeer mobiel en zeer efficiënt in de eerste linies.

Het tweede bataljon bevindt zich op 18 oktober 1918 voor Knesselare en neemt deel, samen met de Gidsen, aan een aanval tegen Maldegem.
De Duitsers trekken zich terug en besluiten de lijn aan het Afleidingskanaal te verdedigen.

Op 21 oktober krijgt het Bataljon het bevel een aanval op de Rapenbrug uit te voeren.
Na een gevecht van twee uren lukt het de vaart over te steken en er een bruggenhoofd in te richten, dat zal stand houden niettegenstaande verschillende tegenaanvallen van de Duitse Marinefuseliers.

De gevechten hebben een zware tol geëist en het bataljon moet na twee dagen worden afgelost.

Rapenbrug over het Schipdonkkanaal - Maldegem
Monument ter ere van het tweede bataljon karabiniers-wielrijders

Terug naar begin van pagina

9 Monument gidsen

Monument ter ere van de gesneuvelden van het 1ste en 2de Regiment Gidsen die stierven tijdens de slag om Burkel op 19 oktober 1918 en tijdens de bevrijding van Maldegem op 20 oktober 1918.

Het monument vermeld 19 namen van gesneuvelden.

Achter het monument werd een Leopardtank geplaatst, schenking van het Regiment Gidsen verbroederd met Maldegem.

De tank symboliseert de aanklacht tegen oorlogsgeweld en het daaruit voortvloeiende menselijk leed.


Gidsenlaan Maldegem
Terug naar begin van pagina

10 De slag van Burkel

16 oktober 1918

De Belgische Cavalerie Divisie opereert in de buurt van Oedelem , 7 km van Brugge (richting Knesselare) 
Her Regiment Gidsen onder bevel van Kolonel Joris is onderdeel van de Divisie. Zij bestaat uit 380 ruiters en 70 wielrijders.
Zij komen aan op 19 oktober 1918 te Oedelem, de wielrijders zitten dan nog in Aalter en proberen hun collega’s te vervoegen. Zij komen te laat voor de slag.
De Gidsen vervolgen hun weg en op het kruispunt Katinne worden zij onder vuur genomen.
Na een verkenning stelt men vast dat ten westen en zuid-westen van het gehucht Burkel een Duitse verdedigingslinie ligt.
Men besluit een charge uit te voeren onder leiding van majoor Van Strjdonck.
Zij worden voorafgegaan door twee automitrailleurs Lanchesters.

De aanval is aanvankelijk een succes, de linie wordt doorbroken maar wat de verkenners niet hadden gezien was een tweede Duitse verdedigingslijn met mitrailleurs op 200m ten westen van het gehucht Burkel (Steenweg van Burkel , grondgebied Maldegem).
De banden van de automitrailleurs die op kop reden werden kapotgeschoten en de wagens kwamen tot stilstand alsook de ruiters die volgden.

De aanval mislukt , 7 doden en 15 gekwetsten waren de balans, er waren 17 dode paarden.
Toch verlaten de Duitsers hun stellingen en trekken ze zich terug.

De slag zou de geschiedenis ingaan als ‘de laatste Europese charge met paarden’.

Terug naar begin van pagina

11 Munitiedepot Maldegem

Maldegem was een belangrijke plaats voor de opslag van munitie voor de troepen van het Marinegebied. Het depot was gesitueerd tussen de Bogaardestraat en de Brielstraat.

De ronde punten op de foto zijn de munitiebunkers.

Er liep een smalspoor naar de spoorlijn 58 aan het huidig stoomcentrum van Maldegem

Bron Het Ambacht Maldegem, Het Front in Belgïë door Birger Stichelbaut en Piet Chielens"

Terug naar begin van pagina

12 Station van Maldegem

Het station werd gebouw in 1862 bij door de “Société du Chemin de Fer de Eecloo à Bruges”, als uitbreiding van de lijn Gent-Eeklo, door de Eeklose industrieel Isidoor Neelemans. Tot 1959 was hier reizigersverkeer. Tot april 1988 was er nog dagelijks een goederentrein tussen Maldegem en Eeklo.

Tijdens WO 1 was Maldegem een Etappestad. Er waren minstens 500 soldaten ingekwartierd en ook 1200 inwoners werden door de bezetter ingezet zodat er druk gebruik werd gemaakt van het spoorwegstation. Van bij het begin van de oorlog nam de Duitse bezetter het beheer van de spoorweg over. België had immers een zeer goed uitgebouwd spoorwegennet.

In 1916 werd een laadramp gebouwd op het statieplein voor het laden en lossen van militaire goederen. Als etappestad werden van hieruit levensmiddelen, munitie en oorlogsmaterialen naar het front gestuurd.

De tramlijn naar Nederland die voor het station lag, werd verwijderd aangezien er toch geen verkeer naar Nederland meer was.

Terug naar begin van pagina

13 Gevechten bij de hoeve Malecote in Adegem

De hoeve ligt vlak voor de brug over het Schipdonkkanaal tussen Adegem en Eeklo in het gehucht Balgerhoeke.

Na de bevrijding van Maldegem op 20 oktober 1918 trekken de Belgische troepen verder naar het Oosten met als objectief de Celiebrug en Balgerhoeke.

Op maandagmorgen 21 oktober valt het 21 Linieregiment aan na een korte artilleriebeschieting.

De hoeve Malecote is omgeven door water en prikkeldraad en wordt sterk verdedigd.

Na een hevig man aan man gevecht wordt de hoeve veroverd.

Maar reeds bijna onmiddellijk na de verovering van de hoeve doen de Duitsers een aantal tegenaanvallen.

De overmacht is te groot, de hoeve wordt omsingeld en rond 17.00 uur terug heroverd.

Het zijn nu de Belgische versterkingen die zich rond de hoeve zullen positioneren om de Duitsers te beletten de hoeve te verlaten.

Die dag sterven in en rond de hoeve tientallen Belgen en Duitsers.

Het lukt de Belgische troepen niet om vaste voet te krijgen over het Schipdonkkanaal.

Het is maar vanaf 31 oktober dat het front terug in beweging komt nadat de Duitsers hun stellingen aan het kanaal verlaten en zich terug trekken achter het kanaal Gent-Terneuzen.

Terug naar begin van pagina

14 De Kruisweg in Adegem

Deze Kruisweg bestaat uit een veldkruis en 13 kapelstaties die de lijdensweg van Christus uitbeelden.

In 1904 liet de Eeklonaar Aloys Dhondt het veldkruis op een arduinen voetstuk plaatsen, ter nagedachtenis van zijn overleden nicht Mathilde.

In 1905 liet hij op dezelfde plaats 13 kapelletjes oprichten ter herinnering aan zijn overleden zus Virginie.

De beeldengroepen werden gemaakt in de ateliers van de Gentse beeldhouwer Mathias Zens.

De kruisweg werd ingewijd op 23 september 1906.

In 1921 schonk de familie de grond en de kruisweg aan de kerkfabriek van Adegem.

Na de Eerste Wereldoorlog kwamen veel mensen hier naartoe om te bidden tegen oorlogsgeweld en om hun doden uit WOI en WOI te herdenken.

Beschermd monument sinds 2004.

Terug naar begin van pagina

15 Veldhospitaal Prinsenveld

Op het einde van de 18de eeuw werd dit gedeelte van het Maldegemveld “Princeveld” genoemd naar de laatste heer, prins de Croy, en begin 19de eeuw verkocht aan de familie Pecsteen-Dhont.

Volgens het kadasterarchief werd Charles Dhont, advocaat te Brugge, de volgende eigenaar.

Hij bouwde in 1846 het eerste “Kasteel Prinsenveld”.

Tijdens het eindoffensief deed het kasteel dienst als veldhospitaal voor de Belgische troepen.

In de militaire archieven staat dit veldhospitaal vermeld onder de naam “veldhospitaal Prinsveld, l’ Océan P.C.A. (Poste Chirurgical Avancé)”.

Het was een vooruitgeschoven medische post van het grote hospitaal “ l’ Océan” in De Panne.

In het overlijdensregister WO I vinden we 3 Belgische soldaten die stierven in dit veldhospitaal : Van Neste Leon Albert, door een obusscherf in de schedel, Hautecourt Fortune Lucien door een kogel in de buik en Huyskens Jean Francois eveneens door een kogel in de buik. Alle drie liggen begraven op de gemeentelijke militaire begraafplaats van het Maldegems kerkhof.

Terug naar begin van pagina

16 Klein België

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal.

om het smokkelen van mensen, oorlogsvrijwilligers, informatie en goederen een halt toe te roepen werd de grens afgebakend door de aanleg van ‘Den Draad’, een dodelijke elektrische draadversperring.

Om praktische redenen werd de grens niet overal van nabij gevolgd.

Hierdoor werden sommige gehuchten afgesloten van België.

Ter hoogte van Sint-Laureins werd zo’n stukje Belgisch grondgebied volledig geïsoleerd.

In de volksmond noemde men dit gebied ‘Klein België’.

Het werd begrensd door het Leopoldkanaal, de Vlotweg, de Oosthoek tot de Kantijne.

Dit gebied groeit uit tot een berucht smokkelaarsnest.

Terug naar begin van pagina

17 Stoomzagerij Sylva Kaprijke

In 1895 bouwde Charles Van Compernolle de villa met ernaast een stoomhoutzagerij die hij uitbaatte tot 1904.

In 1906 verkocht hij de zagerij aan de maatschappij "Sylva".

Tijdens de bezetting werden hier dwarsliggers gezaagd voor de spoorlijnen die de Duitsers aanlegden aan het front. Achter het gebouw zie je links nog restanten van de zagerij die aansluiting gaf op de goederenkoer van de verdwenen spoorlijn 55a Zelzate – Eeklo.

Vanuit de zagerij konden de dwarsliggers direct op de goederenwagens worden geladen.

Net voor WO2 ging de Stoomzagerij in faling.

Terug naar begin van pagina